Op zoek naar het verleden van de katharen, rijd ik over lange
en smalle kronkelweggetjes in Zuid-Frankrijk, door een nogal ruig en onherbergzaam
landschap, op weg naar een klein dorpje, Villerouge-Termenès.
In dat dorpje staat een museum, het doel van mijn reis.
Het museum bevindt zich in een middeleeuws kasteel, dat eerder praktisch geheel
tot ruïne was vervallen. Het ziet er nu werkelijk weer indrukwekkend uit.
Al van verre zie je het kasteel boven de huisjes uitsteken.
Veel bewoners van het dorpje leven nu van de toeristen die het museum bezoeken.
Enkele malen per toeristenseizoen is er een middeleeuws banket. De inwoners van
Villerouge-Termenès verkleden zich dan op z'n middeleeuws en er wordt aan
lange tafels in de buitenlucht gegeten. De kostuums zijn prachtig. De wijn wordt
gul geschonken. Er klinkt muziek. Op een geïmproviseerd openluchttoneel worden
oude verhalen uitgebeeld. Iedereen mag aanschuiven, uiteraard tegen vergoeding
van de onkosten.
Het is dan goed toeven in Villerouge-Termenès.
Het is werkelijk alsof je met een tijdmachine terug in het verleden bent verplaatst.
Het is maar goed dat het slechts een verkleedpartij is en je niet echt in de tijd
van toen bent teruggekeerd. Want het historisch feit waarop Villerouge-Termenès
zich mag beroemen, en waaraan het zijn museum dankt, is nogal macaber. Op de binnenhof
van het kasteel werd in 1321 de allerlaatste kathaar levend verbrand, ene Guilhem
Bélibaste.
Toen was het daar dus helemaal niet zo gezellig.
In het museum van Villerouge-Termenès wordt het aangrijpende verhaal van
Bélibaste weer tot leven gewekt. De bezoekers kunnen er opnieuw beleven
hoe hij probeerde te ontkomen aan de inquisitie van de Rooms-katholieke kerk,
maar tenslotte door een verrader werd uitgeleverd, met noodlottig gevolg: de brandstapel.
Het is uiterst curieus om in zo'n verlaten streek - het is het dunst bevolkte
deel van Frankrijk - zo'n technisch geavanceerd museum aan te treffen.
In het museum worden de katharen voorgesteld als 'ketters'. In de weergave van
de leer van de katharen wordt er een sterke nadruk op gelegd dat de katharen 'dualisten'
waren.
Wat bedoelen de samenstellers van de tentoonstelling daarmee, en klopt het? Waren
de katharen wel ketters, dat wil zeggen: van de kudde afgedwaalde schapen? Waren
ze werkelijk dualisten en hoe moeten we dat verstaan? Ik leer daar in dit museum
niet echt veel meer over, het laat mij vooral met vragen achter. Wie waren de
katharen eigenlijk? Waar kwamen ze vandaan? En waarom werden ze door de kerk van
Rome vervolgd?
Zoveel heb ik ondertussen wel ontdekt: het is raadzaam uiterst voorzichtig om
te gaan met alles wat ons wordt voorgeschoteld over de katharen, want er bestaan
over hen buitengewoon veel misverstanden.
Sommige daarvan zijn ons overgeleverd door de kerk van Rome (die ik hierna vaak
kortweg 'de kerk' zal noemen). De kerk heeft de door hen zelf geschreven geschiedenis
steeds graag als de getuige van hun gelijk willen presenteren. Dat heeft ons een
beeld van de katharen opgeleverd dat tot rechtvaardiging moest dienen van de gruwelijke
wreedheden die de katharen ondervonden van diezelfde kerk. Dat beeld stelt de
katharen dus noodzakelijkerwijs in een kwaad daglicht. Nog steeds waart dit negatieve
beeld rond als een gezaghebbende waarheid over de katharen. Ze zouden kinderen
de hongerdood hebben laten sterven, en volwassenen hebben gedreven tot rituele
zelfmoord. Maar wie zoekt naar de feiten, zal deze beschuldigingen snel herkennen
als doelbewuste kwaadsprekerij.
Andere misverstanden worden aangehangen door al te enthousiaste vereerders die
hun eigen ideeën op de katharen projecteren, en zichzelf graag zien als de
hedendaagse erfgenamen van de katharen. Hun verering leidt al te gemakkelijk tot
een verheerlijking die al evenmin de toets van de historische kritiek kan doorstaan.
Er zijn weinig stromingen in de westerse geschiedenis die zo zeer zijn belaagd
door kwaadaardige en goedwillende interpretaties als het katharisme.
Ergens tussen deze wirwar van moedwillige kwaadsprekerij en fantasievolle verheerlijking
bevindt zich de historische realiteit. Maar kunnen we die nog wel achterhalen?
Veel van de nieuwverworven kennis danken we merkwaardig genoeg aan de inquisitie,
die door de kerk van Rome ingesteld was om de katharen te vervolgen. Deze ging
buitengewoon grondig te werk. Alle verhoren van verdachte mensen werden zorgvuldig
opgetekend. De meeste verslagen van die verhoren kunnen vrij worden bestudeerd.
We beschikken daardoor over een zeer gedetailleerde bron van kennis over het katharisme.
Maar de verslagen van de inquisitie betreffen helaas alleen het katharisme in
zijn nadagen.
In de geschiedenis van het katharisme worden gewoonlijk drie perioden onderscheiden.
De eerste periode van 1150 tot 1209 noemt men wel het catharisme triomphant, de
bloeitijd van het katharisme.In 1209 begon de gewelddadige kruistocht tegen de
katharen, la Croisade Albigeoise. Die tweede periode duurde tot 1244, het jaar
van de val van Montségur.
Omdat men er niet in slaagde het katharisme met geweld uit Zuid-Frankrijk te verdrijven,
werd de inquisitie opgericht, een instituut van de rooms-katholieke kerk. Die
slaagde er tenslotte in het katharisme in Zuid-Frankrijk te ÔoverwinnenÕ.
Deze derde periode, het catharisme finissant, de nadagen van het katharisme, begint
met de val van Montsgur en eindigt met de brandstapel van Blibaste.
De inquisitie verrichtte haar werk vooral in de nadagen van het katharisme. Maar
dan is de intellectuele bovenlaag van het katharisme allang óf uitgemoord,
óf uitgeweken naar andere delen van Europa.
Het populaire boek Montaillou van Le Roy Ladurie, gebaseerd op de studies van
Jean Duvernoy van de verslagen van de inquisitie, geeft dus maar een zeer beperkt
beeld van het katharisme, namelijk zoals dat tenslotte in de nadagen overgebleven
was onder de ongeletterde bewoners van een afgelegen bergdorpje in de Pyreneeën.
Het boek Montaillou berust voor een groot deel op niet meer dan dorpsroddel en
simpel bijgeloof. Zeker interessant voor wie een kijkje wil nemen in het intieme
leven van een middeleeuws dorpsbewoners, maar niet echt leerzaam voor wie zich
wil verdiepen in het katharisme.
Waren de katharen gnostici?
Waar komen de katharen vandaan? Lang heeft het beeld bestaan van het katharisme
als een eenmalige ketterij, zomaar ergens opeens in de Middeleeuwen. Maar daarin
is verandering gekomen. Het katharisme wordt nu veel meer gezien als een onderdeel
van een lange historische continuïteit. Anne Brenon opent haar boek Le vrai
Visage du Catharisme met de volgende waarschuwing:
Wie het katharisme bestudeert zal onvermijdelijk stoten op de voorstelling uit het kamp van de overwinnaars van het katharisme als een onbeduidend fenomeen, als niet meer dan een kwaadaardige woekering in de Occitaanse achtertuin van Europa, temidden van een oceaan van middeleeuwse religieuze standvastigheid. Welnu, het katharisme blijkt helemaal geen geïsoleerd fenomeen te zijn, niet in Europa, en ook niet in de geschiedenis. Voor een goed begrip van het katharisme moet men de horizon openen en onbevreesd het gehele Europese landschap betreden, zowel in tijd als in ruimte.
In 1945 vond er een belangrijke gebeurtenis plaats waardoor die historische
continuïteit nog bevestigd kon worden. Toen werd namelijk in Nag Hammadi,
in Egypte, een vijftigtal oude gnostische teksten gevonden uit de eerste eeuwen
na Christus.4
Wat sommigen al eerder beweerd hadden, bleek nu ondersteund door de vondst van
deze teksten: er is een grote verwantschap tussen de gnostici uit de eerste
eeuwen na Christus en de katharen in de twaalfde en dertiende eeuw. En dat plaatst
niet alleen het katharisme in een nieuw licht, maar ook het gedrag van de kerk.
Ook het gedrag van de kerk jegens de katharen is geen geïsoleerd fenomeen.
De gewelddadige vervolging van de katharen is slechts de voortzetting van een
zeer oude vijandschap van de kerk van Rome jegens de gnostici en andere andersdenkenden.
Als we de verbeten strijd van de kerk tegen de katharen beter willen verstaan,
dan moeten we daarom het katharisme plaatsen in het perspectief van een lange
geschiedenis, vanaf het ontstaan van het christendom, vanaf de vorming van de
kerk als instituut, tot de kruistocht tegen de katharen, tot de val van Montségur,
tot de brandstapel van Bélibaste.
Dan moeten we beginnen bij het begin, de eerste eeuwen van het christendom.
In dat lange historische perspectief wil ik trachten zichtbaar te maken dat
de angst van de kerk van Rome voor de katharen deel is van een veel meer omvattend
proces in onze westerse cultuur dan alleen maar de bestrijding van een plaatselijke
ketterij.
Dan kunnen we zelfs de vraag opnieuw stellen wie er nu eigenlijk gewonnen heeft,
voor zover je althans in dit verband van winnaars en verliezers zou kunnen spreken.
Als we de strijd tegen de katharen zouden zien als een geïsoleerd incident,
zomaar ergens in de middeleeuwen, zou je daaruit de conclusie kunnen trekken
dat de katharen de verliezers waren. Maar, in breder verband is dat nog niet
zo zeker.
Want, door de onmenselijke wreedheid die in de Croisade Albigeoise werd aangewend
tegen de hele bevolking van Zuid-Frankrijk, verspeelde de kerk van Rome in de
ogen van veel toenmalige Europeanen haar morele autoriteit. Het bloedbad van
Béziers bijvoorbeeld, waarbij niet alleen de katharen, maar ook de rooms-katholieke
bewoners van Béziers werden uitgeroeid, werd bejubeld door de kerk als
een door God geschonken overwinning, maar in de ogen van veel tijdgenoten van
deze massale slachtpartij werd het echter ervaren als een morele nederlaag,
met verstrekkende gevolgen.
Waren de katharen werkelijk de verliezers?
De gnostiek was een gevaar voor de kerk.
In een ander, even willekeurig boek, een gewoon geschiedenisboek, tref ik de volgende bewering aan:
De golf van gnosticisme die het christendom in de derde eeuw dreigde te overspoelen, was nog gevaarlijker voor de kerk dan de vervolgingen door de Romeinse keizers.
Was de gnostiek werkelijk zo gevaarlijk? En waarom dan wel?
In 1988 bezocht ik een bijeenkomst, georganiseerd door een rooms-katholieke
groepering. Er was na een lezing gelegenheid tot het stellen van vragen. Op
één van de vragen antwoordt de inleider: 'Dat riekt naar zelfverlossing.'Er
ontstaat een discussie, waaraan ook anderen deelnemen. De inleider kapt de discussie
af: 'Ja, kijk eens, die vraag hebben we in de dertiende eeuw toch definitief
beantwoord? Ik zie geen zin daar steeds weer op terug te komen.'
Wetend wat er in de dertiende eeuw werkelijk plaatsvond, leek me dat een nogal
cynische opmerking.
Want er werd in die dertiende eeuw heel veel bloed vergoten om het gelijk van
de kerk te vestigen. In 1209 werd bijvoorbeeld de stad Béziers uitgemoord.
Het was het begin van de kruistocht tegen de katharen in Zuid-Frankrijk, waartoe
paus Innocentius III had opgeroepen. 'Maar hoe kan ik een goed katholiek onderscheiden
van een kathaar?', had een van de belegeraars van Béziers nog aan de
pauselijke legaat gevraagd. Het antwoord: 'Doodt hen allen, God zal de zijnen
herkennen.' En die raad volgden de kruisvaarders enthousiast op. De leider van
de kruistocht schreef trots aan de paus van Rome dat Gods wraak wonderbaarlijk
had toegeslagen, want er waren in slechts enkele dagen wel twintigduizend ketters
gedood!
Vijfendertig jaar na Béziers, op 16 maart 1244, werden onderaan de berg
Montségur nog eens meer dan tweehonderd katharen levend verbrand. De
kruistocht tegen de katharen leek daarmee tot een succesvol einde te zijn gebracht,
want de gelijknamige burcht op de top van de berg Montségur was de laatste
grote nederzetting van de katharen. Er waren nog wel wat verspreide haarden
van katharisme overgebleven. Daar zorgde na de val van Montségur de inquisitie
voor. Tot tenslotte de allerlaatste kathaar verbrand was. De gnostiek was overwonnen,
het probleem was opgelost, het gevaar geweken. De kerk had gezegevierd.
Zo leek het althans.
Mijn visie is dus dat wij allemaal iets van God in ons hebben en dat onze bestemming is gelegen in het realiseren van die Kern, in het er uiteindelijk mee samenvallen.
Dat is onversneden gnostiek, constateer ik verbaasd.
Die 'gnostische' opvatting heeft gevolgen voor het handelen van de schrijfster
als therapeute:
Ik hoef die ander niet te redden en kan dat ook niet. Daarbij geloof ik dat mijn gesprekspartner in wezen zelf het beste weet wat er moet gebeuren.
Ook dat zou welhaast letterlijk zo door een oude gnosticus of een kathaar gezegd
kunnen zijn.
We treffen hier een model aan. De overtuiging dat de ander in wezen' goddelijk'
is, leidt tot respect voor het zijn van die ander. Als we al in een relatie
van hulpverlening tot die ander staan, kan en mag die hulp niet verder gaan
dan het wekken van die ander tot zijn eigen weten, opdat die ander 'zichzelf
kan verlossen'. Dat is precies de rol die aan Jezus wordt toegekend in de oude
gnostische geschriften. Hij is daar de verlosser die de mens helpt 'zichzelf
te verlossen.'
Deze neo-gnostieke visie is een opmerkelijke gebeurtenis. Maar de inhoud van
het standpunt van de schrijfster is niet eens het meest opzienbarende. Vanuit
het lange perspectief van tweeduizend jaar christendom is het werkelijk belangwekkende
dat de schrijfster haar mening in vrijheid in het openbaar kon uiten.
De schrijfster is na de publicatie van haar mening niet gestenigd en ook niet
op de brandstapel gezet.
Is dat misschien de overwinning van Montségur?
(Uit:
Bram Moerland,
Katharen en de val van Montségur.
Uitgeverij Synthese, Den Haag 2003)
Dit is een pagina van de website www.brammoerland.nl
De Katharen en de val van Montségur kost € 16,90. Het is te koop
in de boekhandel, of via een webwinkel, bijvoorbeeld bij
Bol.com
top