Home

Katharen en dualisme

Het is beslist nodig om een standaardverwijt te bespreken dat gewoonlijk tegen de katharen wordt gericht. Men vertelt vaak dat kenmerkend voor de katharen zou zijn dat ze dualisten waren en geloofden in twee aparte scheppingen, een goede schepping en een kwade schepping. Alles wat materieel is (dus ook het menselijk lichaam) zou behoren tot de kwade schepping; alles wat geestelijk is (zoals de ziel) behoort tot de goede schepping.
Daar wordt dan meestal aan toegevoegd dat men het katharisme niet serieus kan nemen, omdat het wereldvreemd zou zijn.
Klopt het en is dat verwijt terecht?
Het is waar, ook in kathaarse geschriften vindt men soms een negatief oordeel over alles wat stoffelijk is, inclusief het menselijk lichaam. Maar die afkeer is niet kenmerkend voor het katharisme. Het stamt van de filosoof Plato, die omstreeks 300 vC. leefde en in zijn boek de Phaedo enthousiast beschreef hoe de dood een verlossing betekent van de ziel uit de gevangenschap in een verderfelijk lichaam. Hij beschouwde het lichaam als de kerker van de ziel.
Dat beeld van een verheven geestelijke ziel gevangen in een verderfelijk stoffelijk lichaam komt voor in veel religieuze teksten van de klassieke oudheid.
Het doortrekt nagenoeg het gehele christendom, zowel kerkelijk als gnostisch, zodra dat vanaf de tweede eeuw onder invloed raakt van de Griekse filosofie.
Van de kerkvader Origenes (185-254) wordt verteld dat hij zichzelf castreerde om zich te bevrijden van zijn ‘lage’ seksuele aandriften. Dat is waarschijnlijk niet meer dan een sterk verhaal, maar het illustreert wel de afkeer die er in de eerste eeuwen bestond tegen de lichamelijkheid, niet alleen onder de gnostici, maar evengoed onder de christelijke kerkvaders, want het verhaal over de zelfcastratie van Origenes werd door de (kerkelijke!) christenen met grote bewondering verteld.
Kerkvader Augustinus spreekt over de ‘lage lusten van de zinnen’ waarmee het zondige lichaam de geestelijke ziel aan zich bindt en gevangen houdt.
Bij rooms-katholieke tijdgenoten van de katharen vindt men dezelfde verachting van het lichamelijke, zowel bij bijvoorbeeld de fanatieke katharenbestrijder Bernardus van Clairvaux als bij Franciscus van Assisi. Franciscus noemde zijn lichaam: 'Mijn grootste vijand'. Schokkend komt ons nu de houding over van Franciscus tegenover zijn ‘zondige’ lichaam dat hij veelvuldig tot bloedens toe kastijdde. En sprak de protestant Calvijn zelfs enkele eeuwen na de katharen niet nog over ‘de zondigheid des vlezes’? En Luther zei in zijn beroemde stellingen die hij spijkerde op de deur van de kerk in Wittenburg dat het besef van zonde zonder betekenis is als het niet samengaat met ‘de dood van het vlees’.
De katholieke kerkvaders, de katholieke tijdgenoten van de katharen, en de latere grondleggers van het protestantisme vertonen vaak een welhaast obsessieve angst voor het ‘het vlees’. Het zijn dualisten.

Het is waar, ook de katharen waren dualisten. Maar er is tussen de katharen enerzijds en de katholieke heiligen en protestantse voormannen anderzijds een zeer groot verschil in de wijze waarop zij dat dualisme uitlegden en toepasten.
Als we willen weten wat de katharen onderscheidt van de kerk moeten we daar op letten.
Samenvattend: kerk en katharen waren beide dualistisch. Maar wat betekende dat voor het geloof en de praktijk van het leven? Daarin verschillen kerk en katharen sterk van elkaar.
De obssessieve angst voor de zondigheid van het lichaam, zoals men die vindt bij de roomskatholieke heiligen en de protestanten, treft men bijvoorbeeld in geen enkele kathaarse tekst aan. Het dualisme van lichaam en ziel heeft bij de katharen namelijk een geheel andere kleur. De katharen leggen in de toepassing van hun spiritualiteit niet de nadruk op de zondigheid van het lichaam maar op de vrijheid van geest. De katharen vonden het lichaam gewoon niet zo belangrijk.

Ook wat betreft vrouwen, speelde het dualisme van lichaam en ziel in beide kampen een geheel verschillende rol. Voor de katharen was het lichamelijk verschil tussen mannen en vrouwen van geen betekenis. Voor hen was wezenlijk dat zowel mannen als vrouwen een geestelijke ziel hebben, en daarin waren mannen en vrouwen aan elkaar wezensgelijk en daarom gelijkwaardig, vonden ze. Bij de vroegchristelijke gnostische vieringen konden ook vrouwen sacramentele functies verrichten. Dat treffen we ook aan bij de latere katharen.
Dat was in de kerk van Rome wel anders.
Als in het conflict tussen de kerk en de katharen in de twaalfde eeuw een delegatie van de paus een gesprek aangaat met een delegatie van de katharen blijkt er bij de katharen een vrouw deel van het gezelschap te zijn. De vertegenwoordiger van de paus roept ontsteld en verontwaardigd uit: ‘Vrouw, keer terug naar uw spinnewiel!’ Hij weigerde te onderhandelen met een vrouw. Het zou Esclarmonde de Foix betreffen, een kathaarse parfaite, en zus van de graaf van Foix.
Voor de kerk van Rome waren de vrouwen vooral verbonden met de zondige materie, en mannen met de verheven geest. Augustinus vertelt hoe vrouwen steeds maar weer met hun ‘lage listen en lusten’ de mannen tot de zonde verleiden, precies zoals ook Adam werd verleid door Eva.
Ook hier kun je zeggen: katharen en kerk maakten beide een onderscheid tussen lichaam en geest, ze waren beide dualisten, maar pasten dat op een geheel verschillende wijze toe. Voor de katharen betekende het de geestelijke wezensgelijkheid van mannen en vrouwen, ongeacht de lichamelijke vorm; voor de RK-kerk was betekende het juist een wezenlijk verschil tussen mannen en vrouwen: de vrouw is daar verbonden met de zondige materie en de man met de ver daarboven verheven geest. Die opvatting gold zelfs als een rechtvaardiging van de weigering van vrouwen in het ambt van priester.

Een zelfde overweging geldt voor de schepping. De katharen hadden weinig waardering voor de God van het Oude Testament. De katharen wordt vaak verweten dat zij de door Jahweh geschapen materiële werkelijkheid zouden hebben afgewezen. Ook dat is niet correct. Niets daarvan vinden we in de belangrijkste kathaarse teksten die eind vorige eeuw werden teruggevonden, het Liber de Duobis Principiis (Het boek van de twee principes), en de uitvoerige beschrijvingen van het kathaarse ritueel van het Consolament. Wat de katharen wel afwezen was de betovering van angst die Jahweh over zijn eigen schepping had gelegd waardoor zijn schepping was veranderd in een wereld van geweld en onderdrukking. Daarom waren ze er van overtuigd dat Jahweh een valse God was, de Heer van de Duisternis. 'Angst is de macht van de Duisternis', lezen we in één van de gnostische manuscripten uit Nag Hammadi. De gnosticus Valentinus zei het zo: 'Als het licht schijnt op wat iemand angst heeft aangejaagd, beseft hij dat het niets is.' Daarom meenden vele gnostici dat Jahweh niet eens bestond, maar slechts de projectie was van angst, door de machten van de wereld gebruikt ter onderdrukking. Het aanjagen van angst voor de hel door de RK-kerk was voor de katharen het bewijs dat de RK-kerk deel uitmaakte van de machten van de Duisternis.

De verlossing die de vroegchristelijke gnostici nastreefden was dus niet de verzaking van de materie, maar de bevrijding van de schepping uit de betovering van angst door Jahweh.
Zelfs de meest felle bestrijder van de gnostici, Ireneüs, vertelt dat: "Volgens hen (de gnostici, BM) komt de schepping voort uit onwetendheid, angst en verwarring" (Adversus Haeresis 1.3). Hij verwijst daarbij naar de gnosticus Valentinus volgens wie het evangelie van Jezus ook bedoeld was om de schepping te helen: "Het reinigt het Al en brengt het terug tot de Vader en tot de Moeder" (Evangelie van de waarheid, 19). Precies diezelfde opvatting vinden we in het kathaarse Liber de Duobis Principiis.
Voor de katharen was de schepping dus niet slecht van zichzelf, maar verworden, vervallen, ziek. Het was hun stellige overtuiging dat de hele schepping zou worden geheeld als individuele mensen hun eigen angst zouden overwinnen, en zich zo uit de betovering van Jahweh zouden bevrijden. Dan zal er, zo stelden zij, ‘een nieuwe hemel en een nieuwe aarde’ komen, een rijk van vrede en gerechtigheid, omdat dan de liefde zou worden bevrijd uit de greep van de angst.

Merkwaardig genoeg waren het juist de katholieke heiligen, en niet de katharen, die de aarde zelf zagen als het domein van het kwaad, de aarde dus als van zichzelf in wezen slecht, onveranderlijk zondig. De volgende anecdote over de roomskatholieke heilige Bernardus van Clairvaux, de fanatieke bestrijderr van de katharen, kan dit illustreren. Van hem werd verteld dat hij eens met een gezelschap monniken wandelde langs een meer in een berglandschap. ‘s Avonds vertelde een monnik hoezeer hij onder de indruk was geraakt van de schoonheid van de natuur. Hij werd onmiddellijk ter verantwoording geroepen door Bernardus, die hem verweet dat hij door zijn verlustiging in de zondige materie, onvoldoende besef van zijn eigen zondigheid had getoond. Ook van dit verhaal is het niet zeker dat het zich werkelijk heeft afgespeeld. Het behoort tot het genre sterke verhalen, maar die hadden wel een bedoeling: aantonen dat Bernardus, door zijn verachting van de materiële werkelijkheid een goed katholiek was. Dit verhaal maakt dus duidelijk dat de afwijzing van de materiële werkelijkheid in die tijd, de tijd van de katharen, gold als de lakmoesproef van de goede katholiek. Het is dus wel zeer merkwaardig dat de kerk van Rome er later de katharen van beschuldigde de materiële werkelijkheid af te wijzen. En dat geheel misplaatste verwijt vinden we nu nog steeds terug in allerlei beschrijvingen van het katharisme, zelfs als het kenmerk bij uitstek daarvan, bijvoorbeeld in de toeristenfolders opgesteld door de Zuid-Franse overheid.

Dit is een pagina van de website www.brammoerland.com/gnostiek/katharen