Hoe snel wordt men beroemd! Nog pas één artikel publiceerde ik, en zie: velen gaven persoonlijk blijk van hun waardering voor mij als schrijvende hond. Ik geef het toe: ik voelde mij daardoor zeer over mijn vacht geaaid.
Bent u een van de weinigen die nog onwetend zijn van mijn nieuw ontloken talent? Zie dan mijn schrijven Blaf, en het Hogere Plan.
Op sommige reacties wil ik in deze bijdrage nader ingaan. Het bleek dat sommigen niet wisten hoe mij aan te spreken. Kan men een hond aanspreken met ‘geachte mevrouw’ of ‘geachte heer’? Of dient men te schrijven ‘geachte teef’ of ‘geachte reu’?
We hebben hier te maken met een universeel probleem. Dat probleem betreft de vertaling van begrippen van de ene naar de andere cultuur. Het lijkt aanvankelijk geheel correct om bijvoorbeeld ‘mevrouw’ te vertalen in ‘teef’. Maar de goede verstaander ervaart meteen dat daar iets fout gaat. Helaas is het zo dat het woord ‘teef’ onder de mensen een uiterst negatieve lading heeft. Men gebruikt het zelfs wel als scheldwoord. Als het woord ‘teef’ in die negatieve zin wordt verstaan, is de uitdrukking ‘geachte teef’ een contradictio in terminis en dus onbruikbaar als aanhef voor een brief aan mij.
Hoe lost men dat probleem op? Men dient daarvoor na te gaan wat de ene cultuur gemeenschappelijk heeft met de andere. Wat hebben in het onderhavige geval honden en mensen met elkaar gemeen? Welnu, dat is het woord ‘geachte’. Daarin kunnen wij elkaar vinden. Ik verzoek u dan ook mij voortaan aan te spreken met ‘de Geachte’. Dat is genoeg. Daar hoeft niets meer bij.
Het is verrassend te beseffen dat dit ook uitstekend past in de zienswijze van een van de grootste honden aller tijden, Hegel (men spreke de g uit als een zachte k, zoals in het Duitse woord ‘Gott’). Hij, Hegel, schreef dat de ontwikkeling van de Tijdgeest zich voltrekt in fasen van these, antithese en synthese. Eerst is er, op enig historisch moment, een these. Die wordt gevolgd door zijn tegenstelling, de anti-these. Uit die oppositie van tegendelen vormt zich vervolgens een synthese. Maar die synthese is dan meteen weer zelf een these, enzovoort. Zo schrijdt, aldus Hegel, de geschiedenis voort, op weg naar de uiteindelijke eenwording van het Al in de Absolute Geest.
Men zou nu het woord ‘heer’ kunnen zien als de these, het woord ‘mevrouw’ als de antithese, en het woord ‘geachte’ als de synthese. In mij, als de Geachte wordt een eerdere tegenstelling tussen ‘heer’ en ‘mevrouw’ vereend. Zo heffen zich tegenstellingen op die eerst onverenigbaar leken, maar waarvan de vermeende onderlinge tegenspraak vanaf een hoger niveau van inzicht slechts schijn is.
Na dit uitgelegd te hebben moge ik ook ingaan op een andere reactie. Het is een aan mij gerichte brief, geschreven door een kat.
We kunnen in die brief meteen het gelijk van de grote Hegel herkennen. Nadat ik mij als schrijvende hond had gemanifesteerd – de these - verscheen deze poes met historische noodwendigheid als mijn antithese. Nu zal het ieder volstrekt duidelijk zijn dat het geheel passend is dat ik mij als hond laat aanspreken als ‘de Geachte’. Het woord ‘geachte’ kan echter nimmer van toepassing kan zijn op een schrijvende kat. Ik heb daarom besloten dat het mijn historisch en hegeliaans recht is deze kat, als mijn antithese, aan te spreken met ‘de Geminachte’.
Misschien stelt mijn reactie op de brief van deze kat u teleur. Maar dat is niet terecht. Eens zal de evolutie voltooid zijn in een laatste synthese, en daarin zullen, hoewel dat nu nog niet voorstelbaar is, zelfs voor mij, ook katten zijn opgenomen. Dat vooruitzicht - die in het licht van de eindtijd nog slechts pure voorlopigheid is - maakt de aanwezigheid van katten verdraaglijk in onze tijd.
Het verschijnen van de Geminachte als mijn antithese legt op mij de plicht in te gaan op een inhoudelijke bewering van haar. Zij schrijft over het ‘aangelijnd zijn van honden als die worden uitgelaten’. Haar toon daarbij is neerbuigend, triomfantelijk zelfs. Maar juist daarin laat zij zich kennen als een onwetende. De grote hond Cleanthes schreef reeds tweeduizend jaar geleden dat het aangelijnd zijn een universeel beeld is van ons aller lot. Weinig honden beseffen, zo schreef hij, dat wij allen, honden en ook alle katten, altijd aangelijnd zijn aan het Lot. Veel wezens weerstreven hun bestemming die zij door het Lot reeds vanaf hun geboorte hebben meegekregen. Daardoor roepen zij echter slechts leed en ellende over zich uit. Niet het Lot berokkent ons leed, maar ons eigen verzet tegen het Lot.
Wij dienen bereid te zijn, aldus de grote hond Cleanthes, ons Lot in volle gemoedsrust te dragen.
Een wijze hond loopt zo achter zijn baasje aan dat de lijn soepeltjes tussen hem en het baasje hangt. Dan zal hem geen lijden geworden.
Maar een hond die zijn Lot weerstreeft zal steeds naar links of rechts willen uitwijken terwijl het Lot alleen maar een Voorwaarts! kent. Zo’n weerstrevende hond zal de lijn strak om zijn hals trekken, zodat hem de adem benoemen wordt. Dat doet niet het Lot, dat doet de weerstrevende hond zelf. Hij veroorzaakt zo zelf, in zijn wederspannigheid, zijn eigen lijden. Hoe veelbetekenend is het woord wederspannig. Het woorddeel ‘weder’ wijst op het verzet tegen het Lot. Het woorddeel ‘spannig’ verwijst naar de pijnlijke knelling van de lijn om de hals, opgeroepen door dit verzet. Het is een waar en wijs woord.
Wil je liever een soepele, niet knellende lijn? Dat vraagt om een innerlijke overgave. Alleen dan zullen wij ons aangelijnd zijn niet langer als knellend ervaren. Het getuigt zelfs van opperste wijsheid als wij het Lot niet als een dwingende meester beschouwen, maar als onze liefdevolle Leider. Want het is tenslotte het Lot dat ons zal voeren naar onze uiteindelijke bestemming. Het beeld van een hond die aangelijnd uitgelaten wordt is daarom het universele symbool van de Evolutie naar de eenwording van alles. Wie een hond aangelijnd ziet lopen, ziet daar het zinnebeeld van de weg naar de eindtijdelijke versmelting der tegendelen. Wat een eer dat wij als honden dat Beeld mogen uitdragen!
Als de Geminachte meent dat zij niet aangelijnd is, dan is zij onwetend. Want in transcendente zin zijn wij allen aangelijnd, ook katten. Door haar onwetendheid moet zij haar bestaan wel als zinloos ervaren. De vervullende ervaring van verbondenheid met het Al (in de overgave aan het aangelijnd zijn!) zal zij daardoor moeten missen. Ik betreur dat. Om haar zelf! Ik werd dan ook, bij het lezen van haar brief, overvallen door een intens gevoel van mededogen. Maar ik besef, en dat is mijn troost en misschien ook nog eens de hare, dat het Lot ons allen, ook katten, tenslotte zal voeren naar alomvattende wetendheid. Ik wens haar sterkte op haar pad daarheen. Het zal zwaar zijn, vrees ik.
Want nu nog dienen wij honden te voldoen aan de plicht die de huidige tijdgeest ons oplegt: de strijd tegen de katten, die met hun egoïstische zelfzucht barrière na barrière opwerpen op de weg naar de gelukzalige eindtijd van de hondenlijke eindoverwinning. Pas na de omverwerping der katten, door de machtige revolutie der honden, zal het morgenlicht van de eenheid kunnen gloren aan de einder van de historie. Honden aller landen, verenigt U!
Voorwaarts! Voorwaarts!
Copyright Bram Moerland 2006
Dit verhaal mag niet vermenigvuldigd of verspreid worden zonder schriftelijke toestamming van de auteur.
Je kunt dit verhaal hier downloaden. Het verschijnt dan als Word-document op je computer.
Copyright Bram Moerland 2008
Dit verhaal mag niet vermenigvuldigd of verspreid worden zonder schriftelijke toestamming van de auteur.
Andere korte verhalen van Bram Moerland vind je hier.